Gebeurtenis
Maurits’ veldtocht van 1591
30 mei 1591
In 1591 veranderde het tempo van de oorlog. Maurits gebruikte snelheid, voorbereiding en verrassing om meerdere strategische plaatsen achter elkaar aan te vallen. De veroveringen van Zutphen, Deventer, Knodsenburg, Hulst en Nijmegen maakten duidelijk dat de Republiek niet alleen verdedigde, maar ook zelf het initiatief kon nemen.

30 mei 1591
Historische context
Na de eerdere versterking van het Staatse bestuur richtte Maurits zich in 1591 op een reeks belangrijke steden en vestingen. De veldtocht was geen afzonderlijke veldslag, maar een samenhangende reeks operaties in het oosten en zuiden van de Nederlanden. Zutphen vormde het begin van de campagne, waarna Deventer, Knodsenburg, Hulst en Nijmegen aan bod kwamen.
Voor deze operaties waren verschillende onderdelen van het leger nodig. Infanterie en ruiterij moesten de steden omsingelen, artillerie moest muren en poorten onder druk zetten en ingenieurs legden schansen, bruggen en andere verdedigingswerken aan. Een ingenomen stad moest vervolgens worden bezet en bevoorraad. Vooral de controle over rivieren, wegen en vestingen maakte het mogelijk om de volgende stap van de veldtocht voor te bereiden.
De successen van 1591 veranderden de machtsverhoudingen in de oorlog. Spanje beschikte nog steeds over grote legers, geld en garnizoenen, maar moest steeds vaker reageren op Staatse aanvallen. Maurits bewees dat een goed voorbereide reeks operaties meer kon bereiken dan één geïsoleerde overwinning. De veldtocht vormde daarmee een belangrijk moment in zijn ontwikkeling tot zelfstandig militair leider.
Gebeurtenis
Historische betekenis
De veldtocht van 1591 was het militaire hoogtepunt van Maurits’ vroege loopbaan. De betekenis lag niet alleen in het aantal veroverde plaatsen, maar vooral in de samenhang tussen planning, logistiek, artillerie en vestingoorlog.








