Gebeurtenis
Voortzetting van de oorlog na 1588
1588 - 1598
De geboorte van de Republiek maakte geen einde aan de oorlog. Spanje bleef aanspraak maken op de Nederlanden en hield belangrijke steden en vestingen in handen. Tussen 1588 en 1598 moest de jonge Republiek haar bestuur, financiën en leger versterken om de strijd vol te houden. De voortzetting van de oorlog werd daarmee ook een test van haar zelfstandigheid.

1588 - 1598
Historische context
De vorming van de Republiek in 1588 betekende niet dat de Spaanse monarchie haar aanspraken op de Nederlanden opgaf. Filips II bleef de opstand zien als een aantasting van zijn dynastieke en bestuurlijke gezag. Spaanse en koningsgezinde garnizoenen hielden strategische steden en vestingen in handen, terwijl het Leger van Vlaanderen vanuit de zuidelijke Nederlanden militaire druk kon blijven uitoefenen. De oorlog ging dus door na het verdwijnen van een landsheer uit het noorden.
De opstandige gewesten moesten daarom zelf de oorlog betalen en organiseren. De Staten brachten geld bijeen voor soldij, geschut, versterkingen en bevoorrading, en bestuurders als Johan van Oldenbarnevelt bewaakten de politieke controle over deze inspanning. Maurits van Nassau kreeg de militaire verantwoordelijkheid en verbond de besluiten van de Staten met een meer samenhangende manier van oorlog voeren. Legers moesten niet alleen vechten, maar ook routes beveiligen, vestingen onderhouden en langdurige belegeringen volhouden.
In de jaren 1590 werd die organisatie zichtbaar in een reeks offensieven en belegeringen. De inname van Breda in 1590 en de campagnes van 1591, 1592, 1594 en 1597 lieten zien dat de Republiek het initiatief kon nemen, al bleven mislukkingen bij Grol, Wesel en Hulst harde waarschuwingen. Toen Filips II in 1598 stierf, kwam er geen vrede. De oorlog en de Spaanse aanspraken bleven bestaan, maar de Republiek had bewezen dat zij als zelfstandige politieke en militaire macht kon voortbestaan.
Gebeurtenis
Historische betekenis
Deze gebeurtenis maakt duidelijk dat de geboorte van de Republiek niet gelijkstond aan vrede of volledige onafhankelijkheid. De voortzetting van de oorlog dwong de gewesten om hun politieke samenwerking, financiën en militaire organisatie verder uit te bouwen.






